Met Biofarma heeft Nederland sterke troeven in handen

Het kabinet-Rutte heeft life sciences aangewezen als topsector. Dat behoeft nadere precisering, want de life sciences zijn van belang voor verschillende economische sectoren. Een keuze voor biofarma is zowel logisch als kansrijk. Logisch als vervolg op het eerder gevoerde overheidsbeleid, want de Nederlandse uitgangspositie is goed. En kansrijk want we hebben sterke troeven in handen, meldt Gerard van Beynum in het Financieele Dagblad van 17 maart jl.

Life sciences vormen een dynamisch wetenschapsgebied dat van groot belang is voor innovaties in uiteenlopende sectoren als voeding, farma, chemie, land- en tuinbouw. Bijna al deze sectoren zijn als topsector aangewezen, behalve farma.

Omvorming van life sciences tot biofarma ligt dus vanuit dat perspectief voor de hand. Dat zou een keuze zijn voor een jonge veel belovende sector. En het zou bovendien voortborduren op het stimuleringsbeleid zoals dat de afgelopen jaren vorm heeft gekregen, bijvoorbeeld middels fors door de overheid ondersteunde publiek private samenwerkingsverbanden.

Omvorming tot biofarma zou bovendien voortbouwen op de ontwikkeling die zich al 25 jaar in de Nederlandse biofarmasector voltrekt. Die heeft inmiddels een groot aantal kleine en grotere jonge bedrijven opgeleverd, evenals een aantal succesvolle bioentrepreneurs zoals Valerio en Van der Stolpe in Leiden en Van der Winkel en Logtenberg in Utrecht.

Nederland kent thans ook een handvol ervaren en in de biofarma gespecialiseerde venture-capitalbedrijven als Gilde, Forbion en Life Sciences Partners. Kortom, er is de afgelopen kwarteeuw veel tot stand gebracht, waardoor Nederland thans een aantal sterke troeven in handen heeft.

Het is dan ook meer dan de moeite waard om het met veel geld en energie op gang gebrachte vliegwiel in beweging te houden. Uiteraard wel na een kritische beschouwing van de oude instrumenten, onze huidige uitgangspositie en de uitdagingen voor de toekomst.

Tot de uitdagingen behoren het verlagen of zelfs wegnemen van de drempels aan de achterkant van het innovatieproces (markttoelating en vergoeding van nieuwe geneesmiddelen), het bijsturen van de te ver doorgeschoten verbrokkeling van de sector in een zeer groot aantal te kleine bedrijven en het zorgen voor voldoende kwalitatief hoogwaardig management dat van deze bedrijfjes een succes weet te maken.

Wat betreft de verbrokkeling zou er in het nieuwe beleid gestuurd moeten worden op het samengaan (is iets anders dan samenwerken) van de vele kleine bedrijfjes, vaak slechts gebouwd op één technologie en/of product, tot meer robuustere bedrijven. Van veel van die kleintjes is niet in te zien hoe ze op eigen kracht tot volle wasdom moeten komen, nog afgezien van het feit dat ons land niet over voldoende kwalitatief hoogwaardige ondernemers en managers beschikt om al die kleine bedrijfjes te bemannen.

Op veel plaatsen in de wereld neemt de biofarmasector al een voorname plaats in in het streven naar een innovatieve industriesector. Nederland moet en kan hierin niet achterblijven.

Gerard van Beynum werkte bij Gist-brocades en Pharming en is thans commissaris bij life-sciencesbedrijven.

Gepost in Nieuws, overige | Reageren uitgeschakeld

Wouter Bos versterkt conclusies Clingendael Health Forum 2011:”Zorg ontkomt niet aan privaat geld”



Voormalig minister van Financiën Wouter Bos meent dat private investeerders in ziekenhuizen op termijn onvermijdelijk zijn. Bos, tegenwoordig adviseur bij KPMG, onderschrijft de plannen van minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) die marktwerking in de zorg wil uitbreiden, zoals zij deze week aankondigde. Bos maakt zijn opmerkingen in NRC Handelsblad van 16 maart jl.  Eerder kwamen tijdens het Clingendael Health Forum diverse sprekers tot dezelfde conclusie. Hun bijdragen staan op deze website of u kunt ze in het audioverslag beluisteren.

Met zijn opmerkingen toont Bos zich, aldus deze krant,  minder een tegenstander van marktwerking dan een jaar geleden. In de verkiezingscampagne noemde hij meer marktwerking in de zorg door het verder vrijgeven van de prijsvorming bij ziekenhuizen „niet nodig” en „niet verantwoord”. Bos zegt daar nu over: „Mijn probleem zit niet in het percentage marktwerking, maar wat we doen als de kosten uit de hand lopen.” Zijn eerdere standpunt was gebaseerd op het gebrek aan informatie over de gevolgen van vrijere prijzen. Bos zegt dat hij zich destijds ideologisch verzette tegen winstuitkeringen bij ziekenhuizen.

Bos signaleert in NRC Handelsblad dat private investeerders in ziekenhuizen onafwendbaar zijn, iets wat voor de PvdA nog steeds onbespreekbaar is. „Vroeg of laat komt er privaat geld in de zorg. Ik hoop dat de discussie tijdig gevoerd wordt. Als je daar niet over nadenkt, dan overvalt het je straks als ziekenhuizen extern kapitaal móeten aantrekken.”

Hij heeft, in de NRC, kritiek op de manier waarop hij zelf als minister de budgetten van ziekenhuizen verlaagde. Hij noemt dat op termijn juridisch onhoudbaar. Het was volgens hem destijds een „noodzakelijke stap” in zijn rol van schatkistbewaarder om greep te houden op de overheidsuitgaven, maar hij noemt het tegelijkertijd „buitengewoon onredelijk” en „een brute manier van kostenbeheersing”. Volgens Bos is hij niet van mening veranderd, maar van rol. „Mijn visie is niet zoveel anders. Hij is wat meer ingevuld door de praktijk.”

——————————————————————————————-

Toen Wouter Bos nog minister van Financiën was, kortte hij „uit volle overtuiging” op de budgetten van ziekenhuizen. Nu hij adviseur in de zorg is, noemt hij dat „onredelijk”. Kwestie van voortschrijdend inzicht.

Een jaar geleden verraste hij Nederland door zijn acute vertrek uit de politiek, nu heeft hij zich zijn nieuwe functie meer dan eigen gemaakt. Wouter Bos, voormalig PvdA-leider en oud-minister van Financiën, praat alsof hij altijd werkzaam is geweest als adviseur in de zorg. Sinds oktober is Bos partner bij adviesconcern KPMG, in een splinternieuw hoofdkantoor aan de A9 in Amstelveen. Vier dagen per week.

Zijn keuze was logisch, in zijn ogen. Hij wilde meer tijd voor zijn gezin. En de financiële sector is interessant, maar hij heeft er nooit zijn hart aan verpand. „De zorg raakt mij veel meer. Het is zo complex en daardoor intellectueel uitdagend. Er zijn weinig terreinen met zoveel verschillende dimensies die tegelijkertijd spelen. Het gáát ergens om. Vraag je mensen wat ze belangrijk vinden in het leven, dan zullen ze altijd zeggen dat dat hun gezondheid is.”

Onderwerp van gesprek is dat nieuwe werkterrein. In de week dat minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) verdere liberalisering van de ziekenhuistarieven aankondigt, willen wij weten hoe hij daar als deskundige én als oud-minister van Financiën tegen aan kijkt.

Hoe beheersbaar zijn de zorgkosten?

„Met de huidige vooruitzichten is het stelsel niet houdbaar. Iedereen weet dat, als je uitgaven harder stijgen dan je salaris, je vroeg of laat een enorm probleem hebt. De verwachting is dat het nationaal inkomen voor een he-le lan-ge tijd minder dan twee procent per jaar zal stijgen, terwijl de zorgkosten waarschijnlijk met meer dan het dubbele toenemen. Dat hou je dus niet vol. Dat betekent óf dat je als overheid steeds minder geld uitgeeft aan onderwijs, aan sociale zekerheid, aan wegen, aan defensie en aan alle andere dingen die je belangrijk vindt. Of de belastingen en premies gaan omhoog.”

Of je beheerst de kosten door de vraag naar zorg af te remmen.

„Tsja, dat klinkt interessant, alleen is dat nog nooit gelukt. De recente historie laat zien dat de ramingen van de zorguitgaven telkens weer te laag zijn. In het laatste decennium heeft het ministerie van Volksgezondheid negen van de tien jaar begrotingsoverschrijdingen gehad, waarbij andere ministers, die toevallig geld over hadden, te hulp moesten schieten. Daarmee kon je voorkomen dat je op een pijnlijke manier in de dekkingen van de basisverzekering moest gaan snijden of eigen bijdrages moest gaan verhogen.”

„Vaak wordt gezegd dat de kosten verlaagd kunnen worden door technologische vooruitgang. Dat dachten we tien jaar geleden ook. Maar de groeivoet is niet lager geworden. Als iets beschikbaar is, als mensen weten dat iets kan, wordt het ook geëist. De groeiende genetische kennis leidt er bijvoorbeeld straks toe dat je bij de geboorte al potentieel ziek bent en de rest van het leven bestaat uit de behandeling van die potentiële ziektes. Nou, dat maakt de zorg niet goedkoper. Als we de overwinning meemaken dat kanker niet meer een levensbedreigende ziekte is, dan is het daarna een chronische ziekte… Dat maakt het ook niet goedkoper. Er zullen in de toekomst hele gerichte op maat gesneden vormen van medicatie komen, toegespitst op jouw individuele genetische structuur. Het zijn schitterende ontwikkelingen en niemand zal durven zeggen dat we die tegen moeten houden. Maar het zal de druk op de kosten wel alleen maar verder vergroten.”

Meer zorg is toch hogere welvaart?

„Dat is een hele moeilijke. Als die redenering klopt zou je geen enkele rem hoeven te zetten op de zorgkosten. Maar er is nu eenmaal ondoelmatigheid en bureaucratie. En, nog belangrijker, mensen hebben niet de keuze om hun welvaart te vermeerderen door een extra euro te besteden aan de zorg of aan een grote auto of een verre vakantie. Nee, die zorgpremie is verplicht. Het is eigenlijk een soort belasting omdat iedereen verplicht is een basisverzekering af te sluiten. Als democraat en ook als econoom zeg ik: je kunt een belasting die je verplicht oplegt niet eindeloos verhogen met het verhaal dat dat de welvaart van mensen vergroot. De essentie van de politieke bemoeienis met de zorg is dat niemand onder die verplichte premie uit kan. Als de burgers dat verplicht moeten betalen zal de politiek altijd wat willen zeggen over de hoogte daarvan. Als democraat begrijp ik dat. Je kunt niet als politiek je handen aftrekken van de kostenontwikkelingen in de zorg en het vervolgens steeds maar weer omslaan over de premies die de burgers verplicht betalen. We laten ook onderwijzers niet bepalen wat het onderwijs kost.”

Hoe ging ‘minister Bos’ daar mee om?

„Als minister van Financiën moest ik de kosten bewaken, terwijl de minister van Volksgezondheid meer vanuit de belangen van patiënten, ziekenhuizen en de zorgsector dacht. Ik heb destijds als bewaarder van de schatkist uit volle overtuiging budgetkorting toegepast [de verlaging van het vaste bedrag dat ziekenhuizen jaarlijks van de overheid krijgen, red]. Maar het is natuurlijk voor betrokken partijen een buitengewoon onredelijk instrument. Ten eerste omdat we vaak pas na een jaar of twee, drie weten dat er sprake is van een kostenoverschrijding door alle ziekenhuizen bij elkaar. En dan worden ziekenhuizen dus gekort om iets wat een paar jaar geleden gebeurd is. Ten tweede treft zo’n korting alle partijen in de zorg, ook partijen die helemaal niet hebben bijgedragen aan die kostenoverschrijdingen. De ziekenhuizen die de problemen veroorzaken zijn eigenlijk een soort free riders: die weten dat anderen zullen meebetalen. Efficiëntie loont dus niet! Als je goed op je budget let, word je immers net zo hard getroffen als alle andere ziekenhuizen. Ik denk daarom dat die budgetkorting vroeg of laat bij de rechter zal sneuvelen. Daarom kan je kijken of de budgetverantwoordelijkheid niet ergens anders gelegd moet worden, bijvoorbeeld bij de zorgverzekeraars. Daar is minister Schippers nu mee bezig.”

Kon dat niet eerder bedacht worden?

„Vergeet niet dat de inzichten van de belangrijkste adviseurs volstrekt, en dan ook volstrekt, zijn veranderd. Eerst ging het Centraal Planbureau er vanuit dat meer marktwerking in miljarden besparingen resulteerden door meer doelmatigheid. Inmiddels schat het CPB dat dit nul euro oplevert.”

Bos veert naar voren uit zijn stoel, zijn ogen vlammen.

„Nul!”

„Dat was de grote frustratie van Ab Klink. Een van de argumenten voor meer marktwerking was nu juist dat het besparend zou werken, dat het de overheidsfinanciën op lange termijn zou versterken. Maar gaandeweg, door het voortschrijdend inzicht van het CPB, verdween dat voordeel, Nu weten we dat meer marktwerking de prijs kan drukken, maar het aantal verrichtingen door artsen waarschijnlijk omhoog jaagt. Dus zie je de totale zorgkosten omhooggaan. Dan heb je dus paardenmiddelen nodig om de kosten in de hand te houden.”



Gepost in Nieuws, overige | Reageren uitgeschakeld

Biotechbedrijven vragen in rapport om deregulering in de praktijk

Click here to find out more!

In Nederland kunnen biotechbedrijven de veranderingen succesvol benutten die zich wereldwijd voltrekken bij de ontwikkeling van geneesmiddelen. Essentiële voorwaarde is dat Den Haag zijn spreekwoordelijke betrokkenheid bij de bedrijven omzet in daden, aldus Arwin van der Linden van PwC in het Financieele Dagblad (FD) van 16 maart jl.  Zijn organisatie publiceerde die dag het rapport ‘Farma 2020′.

Het rapport, aldus het FD, komt op een moment dat een discussie die op gang komt over de toekomst van de sector na de teloorgang van Organon in Oss en Abbott in Weesp.

‘De overheid moet drie dingen doen’, zegt Van der Linden in deze krant. ‘De overheid moet serieus zaak maken van deregulering, helpen bij koudwatervrees van private investeerders en zorgdragen dat het universitaire fundamentele onderzoek in Nederland minimaal op peil blijft.’

Van der Linden spreekt  in het FD van dringende verlangens ‘van al onze klanten in deze sector’. Allereerst deregulering. ‘We kennen voorbeelden waarbij biotechbedrijven geen toestemming kregen voor het testen van hun medicijn. Ze moesten noodgedwongen uitwijken naar een ander Europees land. Het is moeilijk te verteren als je mag testen op een Europeaan, als het maar geen Nederlander is.’


Een ander probleem is het feit, meldt het FD, dat private investeerders wel participeren in startende biotechbedrijven, maar niet thuisgeven als kapitaal nodig is voor het aantonen van de veiligheid en effectiviteit van een ‘proof of concept’. Investeerders durven die fase van 6 tot 8 jaar zonder dat er zicht is op een product, niet aan.

Van der Linden ziet hier een taak voor de overheid bijvoorbeeld door steun te geven aan een kapitaalfonds dat private investeerders over de brug helpt. ‘Goede en betaalbare medicijnen vormen ook een maatschappelijk doel. Als de markt dat autonoom niet voor elkaar krijgt, is het aan de overheid om de imperfecties in het marktmechanisme op te heffen.’

Als derde opgave voor de overheid noemt Van der Linden het minimaal op peil houden van het universitaire onderwijs en daarnaast het verhogen van de kwaliteit van het fundamentele onderzoek.

‘Dat is mogelijk door niet langer in den blinde vele kleine initiatieven in de sector te steunen, maar door aan te sturen op een kwalitatieve selectie van kennisgebieden zoals oncologie, gentherapie en neurologie.’

Actie op dit gebied is dringend gewenst, aldus Van der Linden, omdat het hoge kennisniveau, dat alom in de wereld wordt erkend, het sterkste punt is van de Nederlandse biotechsector. ‘Dit is te danken aan het feit dat biotechbedrijven en medische faculteiten intens samenwerken.’

De sector kan die kennispositie verder uitbuiten nu de grote farmaconcerns de koers verleggen van medicijnen voor de massa naar medicijnen die inspelen op de individuele patiënt. ‘De Nederlandse sector kan vanuit zijn kennispositie heel goed op die niches in de markt inspelen.’ signaleert het FD.

Gepost in overige | Reageren uitgeschakeld

Nieuw instrument voor therapietrouw medicijnen: MedAlert

Medicijngebruikers met een iPhone hoeven vanaf nu hun medicatie niet meer te vergeten. En wel dankzij de MedAlert app die sinds dit weekend beschikbaar is in de zogeheten App Store van Apple. Met deze applicatie stellen gebruikers zelf herinneringen in voor de momenten waarop zij medicatie moeten innemen. GGZ Friesland is de eerste instelling voor geestelijke gezondheidszorg die een eigen app lanceert.

GGZ Friesland maakt dit mogelijk omdat onderzoek aantoont dat een herinneringssysteem de therapietrouw bevordert. Dit is gunstig voor de behandeling. Als de patiënt zelf zijn medicatie in de gaten kan houden, bevordert dat de zelfstandigheid en therapietrouw. Dit is belangrijk om de symptomen van bijvoorbeeld een psychische aandoening te verminderen.

Alerts instellen is simpel, aldus deze organisatie voor de geestelijke gezondheidszorg: “Wanneer iemand een herinnering instelt, kan hij aangeven welk medicijn en welke dosis hij moet innemen, wanneer en hoe vaak. Zodra de gebruiker medicijnen moet innemen, geeft de iPhone een melding. Omdat er geen dataverkeer nodig is, zijn geen kosten verbonden aan het ontvangen van de herinnering. De app is eveneens gratis te downloaden.”

MedAlert biedt bovendien een aantal  extra faciliteiten. Wanneer de gebruiker een alert krijgt, kan hij aangeven of het medicijn direct is ingenomen. Dan kan diegene achteraf altijd nagaan of hij de medicatie genomen heeft. De gebruiker kan ook zijn medicijnvoorraad bijhouden. Dan is ook direct bekend wanneer hij nieuwe medicijnen moet halen. Daarnaast is er de mogelijkheid om een notitie te schrijven. Hierin kan de gebruiker bijvoorbeeld aangegeven hoe hij zich voelt op het moment van inname. Dit kan op een later moment met de arts worden besproken.

Naast deze iPhone-app zal binnenkort ook Andriod-variant worden gelanceerd. Mensen zonder een smartphone maar wel met een mobiele telefoon kunnen via de vorig jaar gelanceerde website www.medalert.nl alerts in stellen. Door middel van een sms krijgen zij dan een herinnering.

MedAlert is te gebruiken voor iedereen die medicatie gebruikt en kan gratis worden gedownload en gebruikt.

Gepost in overige | Getagged , , , , , , , | Reageren uitgeschakeld

Gezond en Actief Oud Worden, nieuw scharnierpunt van de EU

In the conclusions  of its meeting of 4 February 2011, the European Council endorses the Commission’s proposal for an Innovation Union, and in particular the launch of a European Innovation Partnership on Active and Healthy Ageing, by stating that: “Innovation contributes to tackling the most critical societal challenges we are facing. Europe’s expertise and resources must be mobilized in a coherent manner and synergies between the EU and the Member States must be fostered in order to ensure that innovations with a societal benefit get to the market quicker. Joint programming should be developed. The launch of the pilot Innovation Partnership on active and healthy ageing is an important step in that context.”
Read also the statement by Commissioner Máire Geoghegan-Quinn

With the Innovation Union strategy, the European Commission aims to enhance European competitiveness while tackling societal challenges.

One way in which this is to be achieved is with Innovation Partnerships. Their unique strength is that they will address the weaknesses in the European research and innovation system, as described in Innovation Union (notably, under-investment, framework conditions which are not sufficiently innovation-friendly, and fragmentation and duplication), which considerably complicate the discovery or exploitation of knowledge and, in many cases, ultimately prevent the entry of innovations into the market place.

The European Commission has identified active and healthy ageing as a societal challenge common to all European countries, and an area which presents considerable potential for Europe to lead the world in providing innovative responses to this challenge.

The pilot European Innovation Partnership on Active and Healthy Ageing will pursue a triple win for Europe:

  1. enabling EU citizens to lead healthy, active and independent lives while ageing;
  2. improving the sustainability and efficiency of social and health care systems;
  3. boosting and improving the competitiveness of the markets for innovative products and services, responding to the ageing challenge at both EU and global level, thus creating new opportunities for businesses.

This should be realised in the three policy areas of prevention and health promotion, integrated care, and independent living of elderly people. The overarching target of this pilot partnership will be to increase the average healthy lifespan in the European Union by two years by 2020.

The pilot Partnership will aim to achieve this by bringing together key stakeholders from the demand and supply side; all actors in the innovation cycle, from research to translation (adaptation), deployment and final users, along with those engaged in standardisation and regulation. The pilot partnership provides these actors with a forum in which they can, united around the common goal, identify and overcome potential innovations barriers.

The pilot Partnership will aim at improving the framework conditions for uptake of innovation, as well will seek to leverage financing and investments in innovation and improve coordination and coherence between funding for research and innovation at European, national and regional level in Europe. This altogether will foster innovation in products, processes and services, and in parallel facilitate the innovation chain and reduce the time to market for innovative solutions. Ultimately this will produce benefits for innovation’s final users – the older people and care providers.

Links

Gepost in overige | Reageren uitgeschakeld

Privaat kapitaal heeft potentie in zorg

De kern van de voordracht van Clingendael-gastspreker Marcel Canoy is op zaterdag 26 februari jl. gepubliceerd in het Financieele Dagblad

Minister Schippers van Volksgezondheid ontvouwt in een recente brief aan de Tweede Kamer haar plannen over het aantrekken van risicodragend privaat kapitaal in de zorg. In tijden van budgettaire krapte, economische crisis en immer stijgende zorgkosten, kan privaat kapitaal mogelijk leiden tot efficiëntieverbeteringen, verlichting van de spanning op het zorgbudget en het aanwakkeren van innovatie.

Tegenover deze baten staat ook angst. Angst dat middelen aan de zorg worden onttrokken, dat investeerders zich als de gorilla Bokito gaan gedragen, zoals voormalig PvdA-leider Wouter Bos in zijn Den Uyl-lezing aangaf, en de angst dat privaat kapitaal de zorgsector zodanig zal domineren dat de menselijke maat uit het oog wordt verloren.

We kunnen in andere sectoren waarin publieke belangen een grote rol spelen nagaan of deze angsten gerechtvaardigd zijn.

Om te beoordelen of de inzet van privaat kapitaal ook maatschappelijk rendeert, pas ik twee criteria toe. Ten eerste: zijn de publieke belangen goed gedefinieerd en afgebakend? Dat het slecht afbakenen van publieke belangen geen denkbeeldige problemen oplevert, bewijst de markt voor sociale woningbouw.

Daar legt de ene corporatie breedband aan, levert de andere zorg en investeert weer een andere in dure boten. Dit alle kanten op vliegende gedrag is primair het gevolg van het slecht omschrijven en afbakenen van de taken van woningcorporaties.

Een tweede criterium is of je goed kunt monitoren of de publieke belangen inderdaad gediend worden en of je een geloofwaardig sanctie-instrument hebt als dit niet het geval blijkt te zijn. Ook bij dit criterium moge duidelijk zijn dat het niet om hypothetische risico’s gaat. De NS en ProRail maken er bijna dagelijks een potje van, maar het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft nog altijd geen manier gevonden om hier verandering in te brengen.

Laten we eerst de twee criteria toepassen op publiek-private samenwerking (PPS). Stel dat er een stationslocatie wordt ontwikkeld. De NS heeft hier belangen, de gemeente heeft grond en wil sociale woningbouw realiseren, en projectontwikkelaars willen kantoren bouwen en appartementen in het luxesegment.

De publieke belangen zijn zeer divers, niet altijd scherp gedefinieerd (wat is ruimtelijke kwaliteit?) en doorgaans conflicterend. Daarnaast zijn er veel verschillende lagen van overheid en semioverheid bij betrokken. Het is moeilijk publieke en private verantwoordelijkheden af te bakenen.

Deze problemen keren terug als we kijken of het publieke belang wel wordt gediend en of er effectieve sancties mogelijk zijn, als dit niet het geval blijkt te zijn. Bij PPS rond stationslocaties kan wellicht nog wel worden beoordeeld of de verschillende publieke doelen gehaald worden. Maar effectieve sancties zijn moeilijk op te leggen door de vervlechting van belangen van de betrokken partijen, de lange termijn waarvoor de samenwerking wordt aangegaan en de elkaar soms tegenwerkende lagen van de overheid.

Voor al die problemen bestaan op papier wel oplossingen, maar de PPS-praktijk is weerbarstig. Vaak is het een gedwongen huwelijk waarbij publieke en private partijen bij elkaar blijven ‘voor de kinderen’. Bepaald geen wenkend perspectief voor het effectief inzetten van risicodragend privaat kapitaal in de zorg.

Ervaringen met een andere sector zijn positiever. Ook bij het opwekken van elektriciteit wordt risicodragend privaat kapitaal ingezet en zijn er publieke belangen in het geding. Zo wil de overheid leveringszekerheid, moet de opwekking schoon, veilig en liefst zo goedkoop mogelijk zijn.

Hoewel ik de complexiteiten bij het bepalen van leveringszekerheid, milieueisen of veiligheidsvoorschriften niet wil bagatelliseren, is het goed mogelijk dit met wet- en regelgeving af te dekken. Daarnaast zorgt Tennet voor het transport van de centrales naar de distributienetwerken en houdt toezichthouder DTe de concurrentie in de gaten.

Mede als gevolg daarvan is het goed te monitoren als er iets misgaat en zijn effectieve sancties goed denkbaar. Er is dan ook maatschappelijk nauwelijks verzet tegen het feit dat een zo belangrijke voorziening als de opwekking van elektriciteit in private handen is. Sterker nog, nu private partijen investeren in centrales leidt dat tot minder verspilling en snellere innovatie dan in de tijd dat de overheid hier nog verantwoordelijk voor was. Uiteindelijk komt dat publieke belangen als de betaalbaarheid van stroom en het milieu weer ten goede.

En de zorg, lijkt die sector nu meer op PPS of op de opwekking van elektriciteit? In het eerste geval moeten we maar niet aan risicodragend kapitaal in die sector beginnen, terwijl er in het laatste geval meer reden voor optimisme is.

Eerst het goede nieuws. Ten principale is privaat kapitaal in de zorg geen slecht idee. De recente ervaringen met privaat kapitaal in het Slotervaartziekenhuis en het IJsselmeerziekenhuis stemmen optimistisch en met Bokito-gedrag heeft het optreden van de private investeerders niets te maken. Ook in Duitsland en Zweden zijn de ervaringen met privaat kapitaal lang niet slecht.

De zorg leent zich niet voor snel geld. De aard van de zorg en de bijbehorende risico’s zijn van dien aard dat het voor de hand ligt dat zij partijen aantrekt die willen investeren op de lange termijn. De vraag naar zorg is redelijk verzekerd, maar er is wel flinke beleidsonzekerheid. De vraag is daarmee niet zozeer of private investeerders zich als Bokito gaan gedragen, maar of het kabinet de beleidsonzekerheid kan terugdringen tot aanvaardbare proporties. Anders blijven investeerders weg of verstoppen ze zich in lucratieve niches.

Maar er is ook minder goed nieuws. Op het gebied van het definiëren en afbakenen van publieke belangen is er nog wel wat te winnen. Wat toegankelijkheid in de zorg precies betekent, is nog steeds niet duidelijk. Vooral als instellingen in financiële problemen komen, wordt al snel gezegd dat de continuïteit van de zorg in het geding is. Maar hoe is die gedefinieerd? En wie zijn er verantwoordelijk voor de continuïteit? De verzekeraars (die een formele zorgplicht hebben maar waarbij onduidelijk is wat er gebeurt als ze die niet nakomen), de instellingen zelf, of de overheid? Door deze onduidelijkheid wordt het argument van de continuïteit van de zorg te pas en te onpas ingezet, en hebben instellingen onvoldoende prikkels om op eigen benen te blijven staan.

Ook op het gebied van de zorgkwaliteit zijn we er nog lang niet. De kwaliteit wordt bewaakt

door de Inspectie, de Nederlandse Zorgautoriteit, beroepsgroepen, patiëntenverenigingen, verzekeraars, de politiek en de media. Maar beslist niet op een heldere en uniforme manier. Wellicht kan het op te richten Kwaliteitsinstituut hier nog een nuttige rol spelen.

Private investeerders kunnen alleen goed worden ingezet als er waarborgen zijn dat hun investering op de lange termijn is gericht en zij zich werkelijk verbinden aan de doelstelling van de betrokken instelling om hoogwaardige zorg te leveren. Vergoedingssystemen moeten daarom zo worden ingericht dat instellingen geen prikkel hebben om zich op lucratieve behandelingen te concentreren.

Ook moet gewerkt worden aan een bedrijfscultuur waarin het dienen van de patiënt vooropstaat en niet het maximaliseren van de productie. Ten slotte moeten verzekeraars in een goede positie gebracht worden om overproductie bij zorgaanbieders te voorkomen.

De minister wil dat zorgvernieuwers veel meer ruimte krijgen. In haar recente brief kondigt ze stappen aan om duidelijkheid te verschaffen over het borgen van publieke belangen. Dit is hard nodig om te bevorderen dat privaat kapitaal niet alleen voor investeerders, maar ook voor de maatschappij gaat renderen.

Privaat kapitaal kan een steeds prominentere plaats innemen in de gezondheidszorg, maar dan moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan.

Gepost in Nieuws, overige | Reageren uitgeschakeld

Slordige slikkers maatschappelijke en medische ramp

De aanpak van therapietrouw bij medicijnen bevindt zich ver onder het voor een succesvolle behandeling  in onderzoeken en in de media wordt voortdurend vermeld dat er sprake is van slechts 50% therapietrouw. Met de toevoeging dat voor dit onzorgvuldig medicijngebruik een oplossing gevonden moet worden. Volgens deskundigen vergeten gebruikers de innamemomenten te makkelijk. Ze worden daarom ook de slordige slikkers genoemd, signaleert Thom de Bruijn (Pillkey Holding) in het Financieele Dagblad van 28 februari jl. Maar het kan nog erger, horen we: er zijn ook mensen die hun medicijnen bewust niet gebruiken, noteert de Bruijn.

Dit is een onverantwoorde benadering van de problematiek en bovendien onjuist. Onderzoeksresultaten van diverse methoden en producten uit de zorg bewijzen immers dat meer dan 50% therapietrouw mogelijk is, aldus de auteur.

Zijn gebruikers onzorgvuldig? Ze moeten voor gemiddeld 90% van de rest van hun leven een regelmaat opbrengen die zelfs zorgverleners in klinische omstandigheden bijna niet kunnen opbrengen. Bewust niet gebruiken of uit schaamte, schuldgevoel of frustratie opgeven? Ook al neemt dit probleem vormen aan die alleen kunnen worden bestreden met ‘Deltawerken voor goed en veilig medicijngebruik’, toch gedraagt de zorg zich als een bromvlieg. Ze vliegt steeds weer naar het licht en tegen de ruiten.

Alleen al de beeldspraak ‘Deltawerken’ moet aan het denken zetten. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek geven aan dat elk mens gemiddeld 0,2% van zijn leven volledig van zorg afhankelijk is. Als 50% therapietrouw door zelfzorg naar 100% wordt verhoogd door extra zorgaanpak, wordt iemand voor de verdere 49,8% van de rest van zijn leven tot patiënt gemaakt, en dat is onwenselijk. Regelmatig medicijngebruik in een dynamisch leven managen moet mensen juist zo veel mogelijk de oude vrijheid teruggeven.

Het bedrijfsleven kent dit mobiele dagelijkse leven. In aansluiting op andere consumentenproducten is de zorg voor zelfmanagement daarom beslist geen probleem. Het kan computergestuurde assistenten leveren die niet vergeten. Het verkoopt voorzieningen voor een dynamisch leven, dus ook voor regelmaat. Weerzin wordt omgebogen naar trots onder het motto ‘Gemak dient de mens’. Het bedrijfsleven luistert naar de behoeften van zijn klanten. Voorzieningen die belangrijk zijn voor zorgconsumenten moeten daarom gecombineerd worden met methoden die noodzakelijke zorg effectiever maken en de gebruikers zelf laten kiezen.

De 100% kan makkelijk gehaald worden plus mobiliteit, meer zekerheid en meer veiligheid. Met minder zorgbemoeienis in het dagelijks leven en meer kans op het voorkomen van een economische, menselijke en medische ramp, aldus de Bruijn in het Financieele Dagblad.

Gepost in Nieuws, overige | Getagged , , , , , | Reageren uitgeschakeld

Nederland laat veel kansen liggen in biotech-sector

Drie weken geleden stuurde minister Maxime Verhagen van EL&I zijn nieuwe bedrijfslevenbrief naar de Tweede Kamer. Daarin staat de innovatieve ondernemer centraal. Zo kunnen we voorgoed afrekenen met de innovatieparadox: Nederland behoort tot de top als het gaat om wetenschappelijk onderzoek, maar blijft achter bij het vermarkten ervan. Valorisatie, het tot maatschappelijke waarde brengen van wetenschappelijke en technologische kennis uit het publieke domein, moet de hoogste prioriteit krijgen om Nederland tot een echte kenniseconomie te maken. Dit schrijven de directeur van Niaba, Jan Wisse en Jeroen van der Leijé, voorzitter van Yels.net, een life sciences netwerk, in het Financieele Dagblad van 28 februari 2011

Volgens beide auteurs behoort Nederland wetenschappelijk in de life sciences tot de absolute wereldtop. Honderden zeer innovatieve en succesvolle bedrijven zijn hierin in ons land actief, van innovatieve medische producten tot plantenveredeling, functionele voedingsingrediënten en biobased economy en chemie. Terecht dat het kabinet life sciences tot topgebied heeft benoemd. Toch laten we nog veel te veel kansen liggen om deze kennis om te zetten naar nieuwe producten.

De laatste tien jaar worstelde Nederland, melden de twee biotech-experts, met zijn innovatiebeleid, ook in de life sciences. Honderden miljoenen euro’s zijn ingezet om de excellente kennisinfrastructuur verder te versterken. Investeren in onderwijs en onderzoek is natuurlijk nodig voor het bouwen en onderhouden van een sterke kenniseconomie, het fundament van toekomstige welvaart. Nederland scoort heel hoog in wetenschappelijke output, het aantal publicaties is indrukwekkend. Maar kennis levert pas toegevoegde waarde en welvaart op als bedrijven die omzetten in innovatieve producten. Dat is de ‘proof of the pudding’ voor valorisatie.

Het moet anders, signaleren de auteurs, en dat is relatief eenvoudig: leg de nadruk op kwaliteit in plaats van kwantiteit. In de gouden driehoek van wetenschap, bedrijfsleven en overheid gaat het er niet langer om nog meer onderzoeksbudget voor een bepaald onderwerp te verkrijgen. In de huidige tijd moeten we met minder geld juist méér resultaat boeken. En dan niet door het bedrijven van nog meer excellente wetenschap, maar vooral door het vermarkten van die excellente wetenschappelijke output, zodat de toegevoegde waarde de maatschappij ten goede komt.

Cruciaal is het daarom dat de deelnemende partijen terugkeren naar hun oorspronkelijke sterkten: de wetenschap ontwikkelt nieuwe kennis, ondernemers zien daarin kansen en zoeken risicodragend kapitaal voor het ontwikkelen van die kennis naar producten. De overheid faciliteert dit proces en kan ingrijpen als de markt faalt. Niet door ad hoc veel geld in het systeem te pompen, maar door het innovatieve bedrijfsleven veel meer ruimte te geven.

Het bedrijfsleven in de biotechnologie moet de leiding nemen in de gouden driehoek en als een primus inter pares het economisch rendement van de excellente wetenschappelijke kennis in de life sciences verder vergroten. Met een flinke dosis ambitie, optimisme en ondernemerschap kunnen we op die manier de innovatieparadox definitief achter ons laten.


Gepost in overige | Reageren uitgeschakeld

Verslag van het 11de Clingendael European Health Forum

Op het elfde Clingendael-symposium van de Amerikaanse Kamer van Koophandel, het Instituut Clingendael en de Amerikaanse ambassade over ontwikkelingen in de Nederlandse gezondheidszorg stond de vraag centraal of de komst van private equity in de zorg een wenselijke is. De conclusie aan het eind van de middag was dat privaat kapitaal zeker een nuttige bijdrage kan leveren aan de noodzakelijke innovaties in de zorg, mits het publieke belang voldoende gewaarborgd blijft.

Inleiding
Als inleiders schetsen Roland Zegger (voorzitter Pharmaceutical Committee AmCham) en dagvoorzitter Rien Meijerink (voorzitter Raad voor de Volksgezondheid en Zorg) het beeld van een stroperig innovatieproces in het Nederlandse zorglandschap. Geen vreugdevolle constatering, gezien de grote uitdagingen waarvoor de gezondheidszorg zich de komende jaren geplaatst ziet.

Zegger zet het voor het gemak nog maar eens helder neer. Doorgaan op dezelfde weg is geen optie. Het uit de weg gaan van echte keuzes heeft tot gevolg dat in 2025 circa 20 procent van het bruto nationaal product aan zorg zal worden besteed. Voor elke verzekerde betekent dat een jaarlijkse premieverhoging van 7 procent. Voor veel Nederlandse burgers een onaanvaardbare ontwikkeling.

Er is dus behoefte aan vernieuwende initiatieven die de zorg anders inrichten en efficiënter maken, zonder dat aan kwaliteit wordt ingeboet. Daarvoor is geld nodig. Maar als de overheid zich genoodzaakt ziet ook de gezondheidszorg aan bezuinigingen te onderwerpen, wordt de roep om andere geldbronnen luider. Privaat kapitaal, van particuliere investeerders of investeringsmaatschappijen, zou dan uitkomst kunnen bieden.

Met private equity kunnen innovaties worden gestimuleerd, niet alleen in de bestaande zorgstructuren maar ook op farmaceutisch terrein. Want het staat vast dat met nieuwe en vooral innovatieve geneesmiddelen substantiële kostenvoordelen gerealiseerd worden. Al was het maar omdat ze leiden tot kortere ziekenhuisopnames en een snellere terugkeer van patiënten in het arbeidsproces.

RVZ-voorman Meijerink kraakt in dat kader een kritische noot over het gebrek aan vernieuwing in de Nederlandse zorg. Ja, er wordt veel geëxperimenteerd, maar tegelijkertijd worden die initiatieven ook experimenteel gefinancierd. Sterk projectmatig, zonder oog te hebben voor de – zeker zo belangrijke – langdurige implementatiefase. Innovaties die in gang worden gezet, krijgen zo niet de kans te beklijven.

TNS-NIPO: Bieden private investeerders soelaas?
Henk Foekema (ondezoeksdirecteur TNS Healthcare) bijt van de gastsprekers de spits af met de presentatie van een onderzoek naar de acceptatie van privaat kapitaal in de zorg. Een steekproef onder ruim 1100 Nederlanders levert het beeld op dat men niet afwijzend staat tegenover private investeringen, vooral als het alternatief bezuinigingen zijn. 77 Procent juicht in zo’n situatie de toestroom van particulier geld toe.

Want besparen op zorg is voor Nederlanders haast vloeken in de kerk. Met onderwijs is zorg de sector waarvan burgers vinden dat bezuinigingen niet aan de orde behoren te zijn. Meer dan tweederde van de ondervraagden (70 procent) vindt zelfs dat er meer geld naar de gezondheidszorg behoort te gaan. Goede en toegankelijke zorg behoren tot de Nederlandse cultuur, zo is het algemeen gevoelen.

Over de bereidheid daaraan zelf mee te betalen zijn de meningen wel meer verdeeld. Bijna 50 procent zegt bereid te zijn meer te betalen voor volledige toegang tot de nieuwste en duurste behandelingen; een even grote groep is het daar niet mee eens.

De komst van particuliere kapitaalverstrekkers als financiers van nieuwe medische ontwikkelingen kan bij de meeste Nederlanders op begrip rekenen, zeker wanneer de nakende problemen in het zorglandschap worden geschetst. Circa 40 procent staat dan (zeer) positief tegenover privaat kapitaal, 44 procent reageert neutraal. Een kleine minderheid is (zeer) negatief over zo’n ontwikkeling.

Bij de beleving van zorg speelt de vraag of een ziekenhuis particulier of ‘normaal’ is gefinancierd maar beperkt een rol. Iets meer dan de helft van de ondervraagden zegt geen voorkeur te hebben, 41 procent gaat liever naar een ‘normaal’ ziekenhuis en 7 procent kiest welbewust voor een particulier gefinancierde zorginstelling.

Al met al overheersen de positieve verwachtingen over particuliere financiering. Een duidelijke meerderheid denkt dat een particulier gefinancierd ziekenhuis het op het gebied van klantgerichtheid, efficiëntie en kwaliteit van de zorg het even goed of zelfs beter doet dan een ‘gewoon’ ziekenhuis. Als er bedenkingen zijn dan bestaan die vooral uit de vrees dat winstbejag leidend wordt over de toegankelijkheid en de beschikbaarheid van de zorg. Met andere woorden, privaat kapitaal prima, maar houdt wel een oogje in het zeil.

The Next Step
Kim Putters (hoogleraar management van instellingen in de gezondheidszorg/Erasmus Universiteit Rotterdam) belicht de materie vanuit het perspectief van een bestuurskundige. Zijn belangrijkste constatering is dat innovaties vaak stuklopen op bestaande machtsstructuren. Zorgaanbieders en verzekeraars verschansen zich in hun eigen posities op het moment dat een vernieuwing concreet hun invloed dreigt aan te tasten. Dat kan bijvoorbeeld al het geval zijn wanneer in het hele zorgproces de patiënt meer regie over zijn behandeling wordt gegeven.

In de ogen van Putters is dat laatste momenteel bij innovaties de kernvraag: ‘Wie houdt de macht? Patiënt, dokter of financier?’ En kennelijk ontbreekt er bij verzekeraars en zorgaanbieders nog de sense of urgency om bestaande machtsposities op te geven.

De hoogleraar pleit dan ook voor een next step. Goede wil en adequate taakuitoefening zijn niet voldoende om de noodzakelijke veranderingen te bewerkstelligen. Er zal meer gehandeld moeten worden vanuit een lerend en experimenterend perspectief. Het zoeken van een doel is dan belangrijker dan het vooraf vastleggen van het doel. Ook het openstaan voor nieuwe allianties, financieringsbronnen en alternatieve arrangementen over risicodeling tussen publieke, private en professionele partijen hoort daarbij.

Innoveren is een kwestie van ruimte geven en het bestuurlijke lef tonen eigenbelang ondergeschikt te maken aan het gemeenschappelijke belang, ofwel de voordelen die innovaties in brede zin de zorg in Nederland kunnen bieden. Het innovatieproces is dan ook een proces van de lange adem, dat blijvende, structurele investeringen vraagt en geen ad hoc financiering zoals momenteel vaak het geval is.

Putters juicht een grotere aandacht voor de patiënt toe. ‘Laat innovaties vooral aansluiten op de praktijk, in plaats ze van bovenaf directief op te leggen. Het gaat uiteindelijk om de vraag wat het de patiënt oplevert.’

Gezonde argwaan
Voormalig minister Ab Klink (Volksgezondheid, Welzijn & Sport) deelt de suggestie van Putters dat de patiënt een centralere rol in het zorgproces kan innemen. Een meer consumer driven healthcare is naar zijn oordeel ook de beste garantie tegen het spookbeeld dat de totale kosten van de gezondheidszorg onbeheersbaar de pan uitrijzen.

De oud-bewindsman benadrukte dat door de huidige financiële crisis bezuinigingen in de zorg onafwendbaar zijn. Alleen al dat gegeven dwingt de sector naar nieuwe oplossingen te kijken. Particulier kapitaal kan uitkomst bieden, maar Klink waarschuwt voor het binnensluipen van het denken in aandeelhouderswaarde binnen de zorg. Een te sterke gerichtheid op financieel rendement draagt het risico in zich dat kortzichtig winstbejag de belangrijkste drijfveer voor bedrijfsmatig handelen wordt.

Een dergelijke winstfixatie kan leiden tot onnodige en daardoor kostenopdrijvende volumegroei (meer omzet door binnenhalen patiënten). Klink verwijst daarbij naar ervaringen in net buitenland (o.a. Verenigde Staten) waarbij winstbejag zorgaanbieders verleidde tot onnodig gedwongen ziekenhuisopnames. De omzet van de zorginstelling was belangrijker dan het belang van de patiënt.

Door in een dergelijk krachtenveld de patiënt meer verantwoordelijk te maken voor de besteding van zijn zorgbudget breek je de machtspositie van ziekenhuizen en andere zorginstellingen, aldus Klink. Een bewuste patiënt zal zorgvuldig omspringen met zijn budget en zodoende bijdragen aan een beheersbare kostenontwikkeling van de zorg. Een grotere betrokkenheid van de patiënt verkleint bovendien de kans op massieve medische interventies, eenvoudigweg omdat zorgaanbieders een tegenkracht ondervinden.

Perspectief private investeerder
Met Mark Lenssen (Capital Care Partners) kwam de private investeerder zelf aan het woord. Hij legde de werkwijze van zijn investeringsmaatschappij uit. CCP-participaties hebben een gemiddelde looptijd van 8 jaar, met een rendementsverwachting van 15 procent per jaar. De investeringen richten zich op zorgaanbieders en toeleveranciers; biotechnologie en vastgoed blijven buiten beeld.

Lenssen spreekt de wens uit dat zorgondernemers zich meer open stellen voor partijen zoals CPC. Kennelijk bestaat er de nodige huiver, wat hij betreurt. Tegelijkertijd stipt Lenssen de rol van de politiek aan. Die zou een wat consistenter beleid kunnen voeren. Investeerders willen immers voordat zij besluiten ergens financieel in te stappen graag weten waar ze aan toe zijn.

Als investeerder ziet Lenssen mogelijkheden in een efficiëntere zorg. Door ondermeer de op diverse plaatsen aanwezige overcapaciteit tot ‘concentraties van zorg’ te bundelen. Daarnaast levert gerichter doelgroepdenken voordelen op. Bijvoorbeeld door bepaalde concepten (voeding/diëtisten) binnen zorginstellingen beter te laten aansluiten op de puur medische benadering van specialisten. De patiënt ervaart zo’n vorm van dienstverlening duidelijk als toegevoegde waarde, stelt Lenssen.

Toegankelijkheid zorg voorwaarde
Als belangenbehartiger van patiënten maakt Wilna Wind (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie) zich sterk voor de toegankelijkheid van de zorg. Zolang die is gegarandeerd en in het zorgproces gezondheid en kwaliteit van leven boven winst wordt gesteld, valt er met haar goed over de instroom van privaat kapitaal te spreken.

Wind begrijpt de zorgen bij investeerders over de betrouwbare overheid. Beleid dat elke kabinetsperiode (soms grote) accentverschuivingen kent schrikt eerder af dan dat het investeerders aantrekt. De NPCF-voorzitter ziet wel wat in een publiek-privaat investeringsfonds waarmee ketenoverschrijdende innovaties worden gestimuleerd. Zo’n fonds kan bovendien als instrument dienen om risico’s zoveel mogelijk te delen.

Borging publiek belang
Marcel Canoy (chief economist ECORYS Nederland) gaat wat dieper in op de koudwatervrees als gaat het om private investeringen in de zorg. Hij gebruikt de vergelijking met gorilla’s zoals Bokito: ‘je kunt ze een tijd in toom houden, maar op een gegeven moment heb je ze niet meer in de hand en breken ze uit’.

Wat Canoy interessant vindt is de vraag of die vrees gegrond is. Hij concludeert dat de aanwezige angst het best kan worden weggenomen waneer de sector in staat blijkt de publieke belangen te borgen die in en rond de gezondheidszorg spelen. Volgens Canoy is het op dat terrein bij de verschillende liberaliseringsprocessen van de afgelopen 10-15 jaar vaak fout gegaan. De publieke belangen bleken zelden tot nooit eenduidig gedefinieerd en als gevolg daarvan moeilijk te verdedigen.

Ook in de zorg ontbreekt het aan een scherpe definiëring van het publiek belang. Voor de burger belangrijke waarden als kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg zijn niet volgens harde, meetbare criteria omschreven. Zorg je daar wel voor, dan is controle of gedane toezeggingen worden nagekomen en het uitdelen van sancties een stuk makkelijker. De kaders zijn immers duidelijk. Bovendien vormt een dergelijke borging een belangrijke vertrouwenwekkende maatregel voor potentiële investeerders.

Beloon vernieuwingen
Als slotspreekster grijpt Diana Monissen (bestuursvoorzitter De Friesland Zorgverzekeraar) terug naar enkele conclusies uit het TNS-NIPO-onderzoek. Zij wijst op de spanning tussen de Nederlander als burger en zijn gedrag als consument. ‘Mensen zeggen wel dat er meer geld naar de zorg moet, maar hebben het er vervolgens niet zelf voor over. Kijk wanneer er sprake is van premieverhoging. De reactie is dan dat het eerlijker is wanneer rokers of anderen met een ongezonde leefwijze voor die meerkosten opdraaien.’

Ook Monissen pleit voor een centralere rol van de patiënt. ‘Zijn perspectief is leidend en je dient hem dan ook intensiever bij zijn eigen genezingsproces te betrekken.’

De komst van private investeerders is in haar ogen onafwendbaar. Al was het maar omdat ziekenhuizen een te zwakke vermogenspositie hebben om kostbare innovatieprocessen zelf te financieren. Bovendien kan van privaat kapitaal een louterende – lees zakelijker – werking uitgaan.

Het belangrijkst is evenwel dat goede initiatieven worden beloond. Monissen noemt dat het creëren van een innovatief klimaat waarin vernieuwende partijen worden onderkend en verder geholpen. De Friesland Zorgverzekeraar doet dat onder andere door vanuit een eigen fonds zelf actief te participeren in innovatieve activiteiten en bedrijven.

Gepost in overige | Reageren uitgeschakeld

Geneesmiddelenrobot kan veel medicatiefouten voorkomen

In het Financieele Dagblad van 16 februari een artikel over hoe door ‘slimme technologie’ zorgvernieuwing in de dagelijkse praktijk gestalte kan krijgen. Door robotisering in het proces van receptverstrekking kunnen veel medicatiefouten worden voorkomen. Jaarlijks komen er nog 16.000 Nederlanders teveel in het ziekenhuis door deze fouten.

Gepost in Nieuws, overige | Reageren uitgeschakeld